|
De Aqua Marcia werd van 144
tot 140 vC geconstrueerd en vernoemd naar zijn bouwer,
Quintus Marcius Rex. Met deze
waterleiding, in vier moeizame jaren gebouwd, merkte men dat het water een
betere kwaliteit had. Ook de distributie was verbeterd. Bij dit aquaduct werd
een speciale techniek (omgekeerde hevel) toegepast, waardoor ze bijvoorbeeld een
vallei konden overwinnen. Aan het einde van de eerste eeuw voor Christus werd de
omvang van de bestaande watertoevoer vergroot en werden er nog twee aan
toegevoegd, de Aqua Julia en de Aqua Virgo
(in 33 vC droegen
de bogen van de Aqua Marcia
ook de Aqua Tepula en de Aqua Julia; zie de tekening).
De laatste aquaducten werden
aangelegd door Claudius en Nero met het oog op de watervoorziening van de hoger
gelegen stadswijken, die nog altijd water te kort kwamen. Onder Claudius en Nero
kregen de aquaducten de grootste allure. De Aqua
Claudia, een aquaduct gebouwd tussen 38
en 52 vC en vernoemd naar keizer Claudius, voorzag Rome van water uit een bron 75
km verderop; het had een verval van 250 meter. Dit betekende dat het aquaduct
slechts 1 meter mocht dalen, elke 280 meter lengte. De meeste Romeinse
aquaducten liepen onder de grond. De Aqua Claudia was bijvoorbeeld slechts 15
van de 70 km bovengronds (zie links).
Op een gegeven moment liepen er elf waterleidingen
naar Rome; deze functioneerden tot de Goten in 537 de watertoevoer afsneden. Een paar werden
weer hersteld in het midden van de 15de eeuw onder paus Nicolaas V (trouwens de
Aqua Virgo bleef werken, want deze liep helemaal
ondergronds! Zie de foto rechts en voor meer informatie hier; deze levert nog steeds water aan de Trevi-fontein).
Klik hier voor informatie over en foto's van fonteinen in Rome. ^
De "begraven" bogen van de Aqua Virgo
|