|
Benodigdheden:
Bomen werden gekapt voor het maken van
stellages,
hefbomen en fundering.
Stenen werden aangesleept en gehouwen. De mooiere werden gebruikt voor de
buitenkant. Slechte partijen werden intern gebruikt.
Soms werd een soort cement gebruikt om het een en ander te verstevigen en waterdicht
(tunnels)
te maken. In Duitsland gebruikten de Romeinen daarvoor kalk, zand, stenen en
water (opus caementicium in het Latijns).
De Romeinen
gebruikten diverse instrumenten, zoals een chorobate, groma,
hoogtemeter en dioptra om het
landschap in kaart te brengen en een hijswerktuig + hij-installatie om te
bouwen.
In principe zijn er drie soorten
aquaducten: gemetselde, loden of aardewerken "leidingen".
In Rome werd de gemetselde versie het meest gebruikt.
|
Bouw:
Indien er geen harde ondergrond aanwezig was,
dreven de Romeinen palen in de grond (hijen) voor de bouw van de pilaren. Daarna
werd een soort vlechtwerk van hout gemaakt, waarop de stenen werden bevestigd.
Bovenop de pilaren
werd een mal geplaatst van een boog. Als het werk klaar was, kon deze worden
verwijderd.

|