
5000 jaar geleden werden woongebieden in Mesopotamië (huidige
Irak) al van water
voorzien door overdekte kanalen die een verbinding vormden met de Tigris en de
Eufraat. Met een ingewikkeld netwerk van kanalen en leidingen liet
men het naar de
steden komen.
Ook aan de rivier de Indus (in het gebied waar nu Pakistan ligt) hadden de
bewoners al meer dan 4000 jaar geleden een uitgebreid netwerk van waterleidingen. Zelfs openbare zwembaden
had men erbij.
Ook de Grieken hebben onderaardse gangen en kanalen gebruikt, die in de
rotsen waren uitgehouwen, om het water naar droge gebieden te laten stromen. Voorraden
voor drogere tijden werden door hen ook al aangelegd.

De Romeinen hadden als eersten het aquaduct ontworpen als oplossing voor het
probleem van de watervoorziening.
De arabisch-islamitische immigranten ('andalusíes'), brachten in de 8e eeuw hun
irrigatietechnieken naar Spanje. Zij herstelden en verbeterden dat wat
er nog over was uit de Romeinse tijd en legden nieuwe irrigatiesystemen aan.
Vanaf de 4de eeuw vC verrezen bovengronds boogconstructies, die het water over
grote afstanden aanvoerden. Soms werden de bogen versierd.
|